Ik ben de wereld – ‘Je blijft met essentiële vragen achter. En dat is maar goed ook’

In ‘Ik ben de wereld’ werkt Jan Warndorff de noodzaak uit om anders te gaan denken, ons anders te verhouden tot de wereld. Niet als iets tegenover ons, dat we kunnen bekijken, onderzoeken, uitmelken, maar als iets waarvan we deel uitmaken. 

Charles Engelen|4-5 minuten leestijd

In zijn nieuwe boek Ik ben de wereld werkt Jan Warndorff de redenen uit waarom nieuw Denken (met een hoofdletter) nodig is, en hoe we dat ‘in twee stappen’ kunnen doen. Klinkt eenvoudig, maar het vraagt echt wel iets. Warndorff werkt dat precies en goed navolgbaar uit.

In 2017 schreef Warndorff Geen idee. Filosofie van het boerenverstand. Daarin werkte hij ook al uit hoe de mens onderdeel uitmaakt van de wereld, het milieu, en niet in de positie is om er uitsluitend van buitenaf naar te kijken. Ook al brengt die objectieve positie ook veel goeds in wetenschap en technologie. Wat me ook in dit boek weer erg aanspreekt, is zijn gebruik van doodgewone woorden in een best ingewikkeld betoog. Zo gaat het over oogkleppen als verschijnsel van de Verlichting, en het Sint-Juttemis-denken, waar het gaat om het onterechte vertrouwen dat alles op een dag vanzelf wel goed komt.

Het nieuwe Denken

Waarom is dat nieuwe Denken nodig? De moderne mens, de westerse, bedoelt hij dan, heeft er de afgelopen 2000 jaar wel een beetje een potje van gemaakt. Eerst was er Eurocentrisme en het superioriteitscomplex, omdat de westerse mens als eerste zijn vermogen tot rationeel denken heeft ontdekt. Europa en het geheel ingenomen Noord-Amerika staan altijd boven aan de kaart. Vervolgens kwam het Christendom als vehikel. ‘Geloven-dat’ een geschetste situatie de waarheid is, terwijl het Joods begon als ‘geloven-in’. Inmiddels is dat beeld van westerse dominantie niet meer vol te houden, en dat is reden 1. Vervolgens reden 2 die met het Christendom mee kwam: de mens als heerser over de aarde, naar Gods evenbeeld. Inmiddels koersen we af op de reële mogelijkheid dat we de aarde aan het vernietigen zijn.

Reden 3: de oogkleppen. Omdat we door rationele analyse en nauwkeurige observatie alles weten of binnenkort zullen weten, is Denken overbodig geworden. Die observatie en analyse hebben een enorme hoeveelheid kennis opgeleverd, maar het Denken over wat dat betekent voor wie we zijn en hoe we leven is nagenoeg stil blijven staan.

De Rede als tegenstander van het Denken. Galilei, Darwin en Freud deden ontdekkingen die bescheidener zouden kunnen stemmen, maar dat gebeurde niet. De Europeaan was er ongevoelig voor, misschien te zeer gehecht aan zijn superioriteit? De laatste 150 jaar zijn we niet veel opgeschoten met de essentiële vragen, sterker: we hebben het succesvol geparkeerd en zijn ons daar niet eens bewust van. Maar: de vraag naar de relatie tussen mens en aarde is onzinnig, we zijn aarde.

Werkelijkheid of ons construct ervan?

Die vraag stellen we ons niet, ons, de moderne mens. De kronkel waarin we gevangen zitten is dat we de basale vragen niet hoeven te beantwoorden, dat weten we nog niet. En tot we het weten komen we er wel met modellen, concepten en constructen. Die we als meer waar beschouwen als de werkelijkheid die we ermee proberen te begrijpen. En dat is nodig, want weldadig. Pas op voor: gewelddadig. Hoe Hartmut Rosa het bedoelt in Onbeschikbaarheid: alles onder controle krijgen, de baas worden, overweldigen.

Waar hoe komen we hier uit ?

Als we alles wat we bedacht en ontwikkeld hebben beschouwen als iets wat we toevoegen aan de werkelijkheid, waarbij die werkelijkheid ongekend blijft, komen we verder. Het oud Griekse denken, dat we bezig zijn de werkelijkheid te begrijpen, snijden we eruit. Erkennen dat we bezig zijn met de kaart, maar het landschap niet kunnen kennen, want dat is te omvangrijk en complex. Van leren kennen naar leren erkennen.

Maar wat betekent het dan om mens te zijn? Van homo sapiens naar homo amore. Van objectivisme, van ‘het’ ( = objectivisme) naar ‘Dit’ (= subjectivisme). Maar wat is dan Dit? Het enige universele dat Warndorff ook al benoemde in Geen Idee. Dit is wat hier gebeurt. De actuele ervaring, compleet en onbevattelijk. En daarmee is er geen reden meer om op iets te wachten, ‘Sint Juttemis is verdampt’. Dit bestaat niet, dit gebeurt. En is in die zin zelf ongrijpbaar.

Hij eindigt dit handzame boek met een paar praktische toepassingen van dit Denken. Opnieuw leren denken, dat is de kunst.

Ik ben de wereld is een goed leesbaar boek met suggesties die van belang zijn voor de tijd waarin we leven. Een boek dat goed ontvangen zal worden door mensen die zich meer of minder zorgen maken over hoe het gaat met de wereld en wat onze rol als mens daarbij is. Ik zou hopen en wensen dat dit boek juist de mensen bereikt die zich daar geen zorgen over maken, maar ik vrees dat dat niet gebeurt.

De lezer blijft met essentiële vragen achter. En dat is maar goed ook, er is werk aan de winkel.

Vanzelfzwijgend – ‘Mooie vervlechting van theorie en praktijk’

Toen ik voor het eerst hoorde van Odette Moeskops’ nieuwste boek, was ik meteen verkocht door de titel: ‘Vanzelfzwijgend’. Zo’n titel waarvan je zou willen dat je hem bedacht had. Moeskops heeft hem weliswaar ook niet zelf verzonnen, maar wel heel goed gevonden en gekozen.

Charles Engelen|4-6 minuten leestijd

Al die processen die zich in onszelf, en collectief in organisaties afspelen, en waarvan we ons niet bewust zijn, niet over spreken, maar die wel een belangrijke rol spelen. In de organisatiekundige literatuur is eigenlijk pas sinds een paar jaar serieus aandacht voor de rol van emoties in de publieke ruimte, en in organisatieontwikkeling. Niet als een gegeven alleen, een soort natuurverschijnsel, maar ook iets waarop we mogelijk kunnen interveniëren.

Mooi vervolg

En daar gaat dit boek over, 10 jaar na het verschijnen van haar eerste boek, Doorbreken van Organisatiepatronen. Een heel mooi vervolg. In de afgelopen jaren heeft ze regelmatig gepubliceerd over thema’s die in verschillende hoofdstukken terugkomen, en waarvan ze in dit boek een samenhangend geheel heeft gemaakt.Wat mij betreft een aanrader.

Je kunt Vanzelfzwijgend van kaft tot kaft lezen, maar dat hoeft niet. Door een veelheid aan interne en externe verwijzingen kom je altijd waar je wil zijn. In het eerste hoofdstuk maakt ze de structuur van het boek helder: een mooie vervlechting van concepten (in intermezzo’s) en thema’s (in hoofdstukken). Het boek is daardoor ook goed bruikbaar als een soort handboek voor organisatieontwikkelaars. Afhankelijk van het onderhanden vraagstuk kun je een bijbehorend hoofdstuk lezen. De titels van de hoofdstukken zijn soms wat poëtisch (bijvoorbeeld ‘Jongleren met identificatie’) maar hebben altijd een ondertitel die duidelijk maakt waar het hoofdstuk over gaat (‘Over meervoudige partijdigheid’). Dat maakt dit tot een toegankelijk boek voor vakgenoten, te meer daar Moeskops de verschillende systeem-psychodynamische concepten nog eens precies uiteenzet.

Emotionele logica?

Moeskops werkt vanuit een systeempsychodynamisch perspectief, dat ze aanduidt als emotionele logica, om zo te onderstrepen dat in onbewuste processen ook logica is te ontdekken. Het boek bevat 7 hoofdstukken en 6 zogenoemde intermezzo’s, en vele verwijzingen naar achterliggende literatuur en concepten. Het is bestemd voor mensen die zich bezighouden met diagnose en interventies, vanuit verschillende rollen. En ook hier geldt de inmiddels gebruikelijke waarschuwing bij systeempsychodynamische concepten: het is niet toepassen en afwerken, het is een manier van kijken en denken. Moeskops geeft aan het begin een mooie samenvatting, waardoor je Vanzelfzwijgend ook als naslagwerk kunt gebruiken.

Organisatiepatronen

In het tweede hoofdstuk, mooi ingeleid in Intermezzo 1 waarin modus 1 en modus 2 worden geïntroduceerd, werkt Moeskops een casus uit. Daarin loopt een organisatieverandering vast doordat enerzijds de druk te hoog oploopt en anderzijds het houvast om hiermee om te gaan onvoldoende gevonden wordt. Mensen raken verstrikt in hun eigen narratief en – zoals dat gaat in patronen – draaien zich er steeds vaster in. Interventies die ze noemt zouden de druk kunnen reduceren dan wel houvast bieden om deze te verdragen. Belangrijke concepten die we ook kennen uit eerder werk van haar hand, waar ze schreef over vastlopende processen en het vermogen tot verdragen (van spanning).

Het derde hoofdstuk is een mooi voorbeeld van de mooie balans tussen theorie en praktijk. Moeskops legt concepten als holding en containment met weinig woorden helder uit, en maakt de toepassing ervan duidelijk aan de hand van toegankelijke casuïstiek. Vooral het begrip good enough van Winnicott komt daarin goed naar voren. Het gaat niet om Zeker Weten, maar om je Beste Weten op dat moment, dat geeft ruimte voor verbetering en ontwikkeling voor alle betrokkenen.

Waar in het tweede hoofdstuk het accent op diagnose ligt, gaat Moeskops in het vierde hoofdstuk in op interveniëren, vanuit een narratief systeemperspectief, dat ze in een elftal vooronderstellingen helder neerzet. En ook hier weer rijkelijk voorzien van bronnen en verwijzingen. Interventies vinden plaats mét – dus niet vóór – betrokkenen, en zijn in die zin te beschouwen als een vorm van actieonderzoek. De interventionist helpt met deconstrueren en reconstrueren van (gestolde) verhalen. Voor wie dit nu nog abstract is, Moeskops maakt het heel duidelijk in de voorbeelden van narratieve vragen en in praktijkvoorbeelden. Verhalen zijn sociale constructen, en emoties zijn dat ook (al kijken we daar pas recent op deze manier naar). Beiden kunnen gedeconstrueerd worden en dat vraagt veel van betrokkenen, en ook van de interventionist.

Jezelf als instrument

Een bekende kreet voor organisatieadviseurs en -begeleiders: Jezelf als instrument. In het systeempsychodynamisch denken is dat erg belangrijk: overdracht en tegenoverdracht, parallellisme, en het belang van zelfkennis en reflectie. Het zijn belangrijke concepten in de aanloop naar het vijfde hoofdstuk, over rêverie. Rêverie betekent zoveel als mijmeren, dagdromen. Een normaal proces dat zich voordoet bij gebeurtenissen die blijven ‘hangen’: een opmerking, een blik, een onverwachte wending. Door deze mijmeringen actief in te zetten in een reflectief proces in bijvoorbeeld een consultatiegroep, kan meer inzicht ontstaan in wat er gebeurde, waar dat mogelijk voor staat, en wellicht zelfs hoe daarin te handelen. Ze illustreert dit met een tweetal praktijkverhalen, en benoemt ten slotte een aantal ‘lessons learned’ over rêverie.

In het volgende intermezzo beschouwt ze emotie als een contextueel fenomeen, in plaats van iets dat helemaal individueel is. Een gedachtegang die we ook zagen in het boek Tussentaal van Marijke Spanjersberg. Dat leidt dan ook tot andere vragen en/of interventies. In het zesde hoofdstuk vervolgens werkt ze het begrip ‘meervoudige partijdigheid’ uit met de precisie waaraan we in dit boek inmiddels gewend zijn geraakt. Via een laatste intermezzo waarin het begrip collusie wordt uiteengezet komen we bij het laatste hoofdstuk, dat tegenspraak behandeld. Eigenlijk: het oneens zijn en tegenspreken met (beoogd) behoud van de relatie en welke hobbels daarbij zoal te nemen.

Je zal er maar werken – Biedt gedegen kennis van organiseren en veranderen

Brechtje Kessener geeft inzicht in de complexiteit van organisaties. Ze richt zich niet alleen op de structuur en strategie, maar belicht ook de werkprocessen en de sociale aspecten. Ze biedt geen kant en klare oplossingen, maar laat zien wat allemaal relevant is om te weten voordat je met organisatieontwerp aan de slag gaat.

Charles Engelen|5-7 minuten leestijd

Je zal er maar werken is allereerst een mooi en goed ontworpen boek. Congruentie, dat is van belang. En zo vind je al aan het eind van de inleiding een tabel met de in het boek gebruikte pictogrammen, zodat je goed je weg vindt in het boek. Het boek is goed ontworpen in die zin dat je het kunt lezen in de volgorde van je voorkeur, maar je hoeft niet te verdwalen. Hoewel het ook weer handig zou zijn geweest als die tabel uitklapbaar was, of er los bijzat op een kaartje.

Wie eerder kennismaakte met Kesseners werk heeft al in de eerste paragraaf en punt van herkenning, dat eerder door systeemdenker Checkland werd geïntroduceerd: een goed organisatieontwerp dient de afnemer met goede producten, een werknemer met goed werk en een eigenaar met een goed rendement. Deze drie archetypen komen nog vaak terug.

Waarom dit boek noodzakelijk is

In hoofdstuk 2 houdt Kessener een pleidooi voor bewuster organiseren en ontwerpen. Als Kessener pleidooi zegt, dan bedoelt ze ook pleidooi. Ze bouwt een redenering op voor de noodzaak van een integratieve theorie voor organiseren. Ogenschijnlijk zet ze daarbij organiseren en veranderen tegenover elkaar, terwijl het integratieve ook daar nodig zou zijn, wat mij betreft. Ze stelt: veranderkunde gaat over hoe en wie, en organisatiekunde over wat, waarom en waartoe. Ik begrijp de intentie wel, maar deze is voor mij te kort door de bocht. Beide kundes gaan over elk van deze vijf aspecten. ‘Mijn eigen norm en verontwaardiging klinkt daar wellicht in door’, zegt ze op p. 40. Nou, laat het wellicht maar weg, en kom maar door met die integratieve theorie, het heeft er alle schijn van dat dat nodig is. Laat die eigen norm en verontwaardiging vooral nieuwsgierig maken.

systeemdenken

In het derde hoofdstuk komt het systeemdenken erbij. Systemische principes als gelaagdheid, begrenzing en emergentie worden helder uiteengezet. Om in die veelheid wat ordening aan te brengen introduceert Kessener drie aspecten: het politieke, het technische en het sociale. Ik dacht even dat deze indeling gebaseerd was op Tichy’s Three-strand-model (1983), maar haar indeling is net anders. Wat verderop in dit hoofdstuk deelt ze in in structuur, architectuur en cultuur, wat weer veel dichter tegen Tichy aanligt. Twee indelingen die dicht tegen elkaar aanliggen, maar ook weer niet precies gelijk zijn. Kan verwarrend zijn.

Herkennen wat er in de praktijk gebeurt

In hoofdstuk 4 lost ze dat weer op door de begrippen tegen elkaar aan te leggen: de politieke structuur, de technische architectuur en de sociale cultuur. In dit hoofdstuk werkt ze de drie perspectieven uit. Het zal de lezer inzicht geven in welk aspect dominant gehanteerd is of wordt in het ontwerp van diens organisatie. En vooral: welke aspecten minder van belang zijn en wat daarvan de consequenties zijn. Bijvoorbeeld: een liefdadigheidsinstelling die via een sociale redenering gevormd is en erachter komt dat checks and balances eigenlijk ontbreken, omdat het politieke aspect geen plek heeft in de ontwikkeling van de organisatie.

In het vijfde hoofdstuk slaagt ze erin om de haast onbegrensde buitenwereld te ordenen in uiteindelijk 9 cellen in een matrix. Een uitgebreide set van hulpvragen om de omgeving te ordenen en te begrijpen. In hoofdstuk 6 een vergelijkbare, zeer uitgebreide exercitie van de interne organisatie. Daarmee is het organisatiekundige deel afgerond en gaan we naar het ontwerpdeel. In dit boek wordt dit proces als lineair gepresenteerd: eerst begrijpen, dan ontwerpen. Ik neem aan dat dit in de praktijk doorgaans een itererend proces zal zijn, maar dat zou de leesbaarheid van dit boek sterk bemoeilijken. Daar komt ze later op terug.

Ontwerpen, ordelijk gepresenteerd

In hoofdstuk 7 werkt ze de ontwerpprocessen van de drie aspecten verder uit. De argeloze lezer zou bijna denken dat hier een stapsgewijze aanpak wordt gepresenteerd, maar gelukkig zit de disclaimer al aan het begin van dit hoofdstuk: ‘in de praktijk wordt natuurlijk een mengelmoes […] gebruikt’. Dit gezegd hebbend volgt voor elk van de drie aspecten een zeer inzichtelijk procesverloop, dat bij wijze van spreken zo gevolgd kan worden. Vervolgens nuanceert ze de rol van de ontwerper nog verder door te stellen dat organisatieontwerpers altijd rekening moeten houden met ‘het levende en zelforganiserende karakter van een organisatie’. Gelukkig maar.

Mocht de lezer na hoofdstuk 7 aan de slag willen met het ontwerp van een organisatie langs drie aspecten, dan is het aan te bevelen om eerst nog hoofdstuk 8 te lezen. Daar belicht Kessener de hele complexiteit van het ontwerpproces en de consequenties voor de aanpak en variaties daarin. De onvermijdelijke afwisseling van divergeren en convergeren, van exploreren en itereren, van denken en doen wordt daar genadeloos duidelijk. Je zou kunnen zeggen dat zo’n ontwerpproces in principe improviserend verloopt. En improviseren kan nu eenmaal alleen maar met gedegen kennis en kunde van onderliggende aspecten. Waarmee de relevantie van de eerste 6 hoofdstukken als een paal boven water staat.

De blik naar buiten: casuistiek

De 7 beschreven cases geven een mooi inzicht in hoe dit alles in de praktijk gestalte krijgt. Daarbij schuwt ze niet om ook aandacht te schenken aan met zorg ontworpen oplossingen die toch niet bleken te werken, en verder doorontwikkeld moesten worden. Of hoe de keuze van open communicatie over tussenresultaten teruggedraaid werd omdat dit steeds leidde tot stappen achteruit. Interessant om te lezen hoe alle gedachtegangen, concepten en redeneringen uit het eerste deel van het boek in de grillige praktijk gehanteerd worden.

Ten slotte

Eén van de wat mij betreft briljantste denkers over het ontwerpen van levensvatbare systemen is wat mij betreft Anthony Stafford Beer. Hij heeft er zijn levenswerk van gemaakt om te komen tot een aanpak voor het ontwerp van levensvatbare systemen. Kessener verwijst een paar keer naar zijn werk. Na de productie van een aantal lijvige boeken over hoe dat gaat en zou kunnen, kwam hij in 1985 met een nogal dun boekje – ik noem het vaak zijn chagrijnige boekje – waarin hij zijn concept (her-)introduceert als een concept voor diagnose. Eigenlijk zegt hij: als je kunt begrijpen hoe de organisatie functioneert, wat daarin niet goed gaat en hoe dat te verbeteren, dan werk je aan het levensvatbaar houden van die organisatie. Hij noemt dat boekje dan ook: Diagnosing the system for organizations. Kessener komt wat mij betreft tot eenzelfde conclusie als Beer. Als je kunt begrijpen hoe een organisatie functioneert in relatie hoe deze zou moeten functioneren, dan kun je van daaruit aan de slag met ontwerp en herontwerp. Gedegen kennis van organiseren en veranderen is daarbij niet handig, maar onontbeerlijk. Kessener biedt die kennis met haar boek Je zal er maar werken.

Leven in tijden van versnelling

‘Ons persoonlijke en maatschappelijke leven behoeft onder de huidige omstandigheden dringend hervorming.’ Je zou bijna denken dat dit boek van Hartmut Rosa vorige week is uitgekomen, maar de oorspronkelijke versie is uit 2013. Het heeft niets aan relevantie ingeleverd. 

Charles Engelen|3-5 minuten leestijd

In dit essay werkt Hartmut Rosa eerst de theorie van de maatschappelijke versnelling uit. Hij beoogt daarmee een ouder concept te rehabiliteren, te weten dat van de vervreemding. Daarmee komt hij vervolgens tot een kritische theorie van de maatschappelijke versnelling. En zo krijgen we antwoord op de vraag: wat is dan een niet-vervreemd leven? En dan niet 100% niet-vervreemd, maar momenten. Momenten waarin sprake is van resonantie, een begrip dat hij in later werk uitwerkt (Onbeschikbaarheid, 2016 en 2022). Momenten van geluk, ontroering, flow, die je kunt ervaren bij muziek, in een ontmoeting, in de natuur, maar die zich niet laten afdwingen.

versnellingskringloop

Wat is dat eigenlijk, die maatschappelijke versnelling? Het gaat er al over sinds Goethe en Rousseau, maar een systematische theorie ontbreekt. Je kunt ook nu met grote regelmaat lezen dat veranderingen steeds sneller gaan, maar zonder verdere definiëring, als een soort voldongen feit lijkt het. Om hierin helderheid te verschaffen werkt Rosa het begrip maatschappelijke versnelling uit langs drie lijnen: technische versnelling (= binnen de samenleving), versnelling van maatschappelijke verandering (= van de samenleving zelf) en versnelling van het levenstempo. Die drie blijken een versnellingskringloop te vormen.

razende stilstand

Uiteraard werkt Rosa ook het begrip maatschappelijke verlangzaming uit, waarbij hij (met anderen) bij de gedachte uitkomt dat er mogelijk geen werkelijke verandering plaatsvindt, maar eerder een ‘razende stilstand’. Steeds sneller meer van hetzelfde, zou je kunnen zeggen. Daar legt hij tegenaan dat eigenlijk elke vorm van verlangzaming een reactie op de versnelling is. En daarmee blijft de versnelling dominant. Hij eindigt dit eerste deel met de these dat een aantal verschijningsvormen van onze tijd, zoals de welvaartsstaat, maar ook democratie, mogelijk tot het verleden behoren, want uit de pas geraakt in de voortdurende versnelling. En ineens dringt de actualiteit van januari 2025 zich op, met een toenemend aantal nogal autocratische leiders die met decreten de democratie omzeilen om zodoende ‘een beetje tempo’ te maken.

De maatschappelijke versnelling vertoont kenmerken van een totalitaire heerschappij, en moet worden bekritiseerd. Hij bedoelt hier niet een totalitair politiek regime. Daaraan is, hoe cynisch eigenlijk, beter te ontkomen dan aan de maatschappelijke versnelling.

Een kritische theorie 

In het tweede deel werkt hij een kritische theorie van maatschappelijke versnelling uit, langs drie lijnen: functionalistisch, normatief en ethisch. Functionalistisch in de zin dat de versnelling van verschillende aspecten in de samenleving niet synchroon plaatsvindt, en dat er door dat onderling uit de pas lopen van processen spanningen en (uiteindelijk) pathologie ontstaat.

Normatief in de zin van de onontkoombaarheid van de temporele normen in de moderne samenleving, terwijl we leven in een wereld die ongekend liberaal en individualistisch lijkt. Of zoals Rosa het mooi formuleert: de temporele normen van de moderne samenleving gaan ongemerkt schuil achter de moderne belofte van reflexiviteit en autonomie. Valse krengen zijn het, die temporele normen.

Ethische kritiek

Ethisch in eerste instantie omdat we in een situatie terechtkomen, waarin we vrijwillig anders handelen dan we eigenlijk willen. Vrijwillig, want niemand dwingt ons. Een intrinsieke tegenstelling die vervreemdend werkt. Vervolgens werkt hij het concept vervreemding uit in een aantal aspecten. Vervreemding van ruimte, van dingen, van eigen handelingen, van de tijd, en ten slotte van onszelf en de maatschappij. Als ik dit zo opschrijf klinkt dat waarschijnlijk abstract, maar Rosa verlevendigt het met zodanig herkenbare dagelijkse voorbeelden, dat het volstrekt helder wordt hoe we ervoor staan. Als generatiegenoot van Rosa kan ik het heel goed volgen, en herken ik me er zeer in. Ik vraag me af of dat voor de generatie(s) na ons ook zo is, of je dit alles als vervreemding zult ervaren als het de enige realiteit is die je kent.

In de derde Nederlandse druk, die verschijnt in 2023, 10 jaar na de oorspronkelijke tekst, schrijft Rosa een nawoord waarin hij ingaat op het begrip resonantie. Resonantie die ontstaat als we een echte relatie aangaan met de dingen en mensen om ons heen en ons daarin kunnen laten verrassen. In dit nawoord werkt hij een achttal theses uit en geeft hij uitwerking aan het begrip resonantie, waarmee zicht ontstaat op een uitweg. Resonantie zal niet de oplossing zijn, maar geeft wel richting in het zoeken. Verbondenheid in plaats van vervreemding, een begin van ‘het goede leven’? Ik denk van wel.

Schaamte – ‘Je voelt gewoon hoe het werkt’

Nadat Teus Lebbing vele jaren als schrijver anderen het hemd van het lijf vroeg en hun verhalen optekende, is ze uiteindelijk en na aandringen van anderen voor de spiegel terechtgekomen om zichzelf te interviewen en haar eigen verhaal op te tekenen. Dat vond ze nooit relevant genoeg, en dat is precies wat schaamte doet: jezelf klein en stil maken.

Charles Engelen|28 maart 2025|3-4 minuten leestijd

Teus Lebbing stelt dat alles wat niet besproken wordt, onderhuids gaat zitten. In de onderstroom, kunnen we zeggen. Ik ben liefhebber en practioner van het systeempsychodynamisch gedachtengoed. Daarom vind ik dat we alleen de dingen die in de onderstroom zitten boven moeten zien te krijgen als ze relevant zijn voor de taak die aan de orde is. Als in dit boek de taak is: ‘voluit leven met alles wat er is’, dan heeft Lebbing een hele mooie bijdrage geleverd in het op tafel krijgen van de schaamte in de onderstroom.

Omtrekkende bewegingen

Lebbing heeft een prettige, directe schrijfstijl. Korte zinnen, spreektaal, je hoort als het ware wat je leest. En daardoor leest het boek vlot weg. Fascinerend vind ik de bijna op omtrekkende bewegingen lijkende aanloopjes voordat ze aan haar eigen verhaal begint. Een vooraf, een introductie, een inleiding, één van de interviews, en (pas?) dan is ze bij eigen verhaal beland. 

Heel congruent met wat ze schrijft over schaamte: eigenlijk doe ik er niet toe, dus mijn verhaal ook niet. Nou ja, na 25 bladzijden in mijn eigen boek, dan wel misschien. En die congruentie blijft nog even wanneer haar verhaal wordt opgeschreven door iemand anders, een journalist die haar interviewt. Waarbij ze zelf ervaart dat het helpt om bevraagd te worden door iemand die geïnteresseerd is en zonder oordelen kan luisteren en doorvragen. De ervaring die ze heel goed kent aan de andere kant van de tafel, als interviewer.

ontsluierend

Het boek bestaat deels uit interviews. Daar valt iets bijzonders op. De vragen die ze stelt (en ook die de journalist aan haar stelt) zijn kort, to the point, soms zelfs sec. En die leiden vervolgens tot hele verhalen, persoonlijk en ontsluierend. Alsof met het stellen van zo’n vraag de geest al uit fles is. Na het tweede interview gaat Lebbing verder met haar eigen verhaal. Zonder interviewer, zo recht uit het hart. Ze beschrijft open haar eigen verhaal, dat daardoor invoelbaar wordt, en bemoedigend. Voor de draad ermee. En na elk interview gaat dat zo verder: via het verhaal van een ander laat ze steeds stukjes van haar eigen puzzel zien. Op die manier zijn de interviews geen verhalen op zich, maar telkens opstapjes voor een verdieping van haar eigen verhaal.

Herkenbaar

In het hart van het boek vind ik haar persoonlijke reflecties op hoe schaamte zich verpakt. Doordat dat deel op net iets grijzer papier is gedrukt zie je al zonder het boek open te slaan: hier gaat iets gebeuren. In haar geval: hier laat ze alle mechanismen zien die ze gebruikt om te doen alsof ze goed genoeg is. Zodat er niks is om je voor te hoeven schamen. Natuurlijk gaat die vlieger niet op, en dat maakt het allemaal pijnlijk herkenbaar.

Mooi het proces en de impact van schaamte die ze beschrijft zo goed zichtbaar wordt in de opbouw van het boek. Eerst er wat ‘omheen draaien’, dan maar eens een verhaal van een ander, dan de weergave van een interview met haar, nog een verhaal van een ander, en dan persoonlijke reflecties, inkijkjes in haar eigen leven waarmee het hele verhaal zich uiteindelijk ontvouwt. Prachtige congruentie, je voelt gewoon hoe het werkt, die schaamte!

Lebbing besluit het boek met woorden van dank aan velen, en een veelheid aan suggesties voor verder lezen, verder luisteren, dieper graven.

Waarom dit niet de laatste oorlog is – ‘Scherpe, maar toegankelijke analyse’ 

Waarom komt oorlog steeds terug, ondanks onze lessen uit het verleden? In zijn boek ‘Waarom dit niet de laatste oorlog is’ onderzoekt Koert Debeuf de psychologische wortels van internationale conflicten en laat hij zien hoe collectieve trauma’s en gekrenkte trots oorlogen blijven voeden. In zijn recensie gaat Charles Engelen in op Debeufs confronterende analyse.

Charles Engelen|3-5 minuten leestijd

Waarom dit niet de laatste oorlog is heeft als ondertitel ‘Over de psychologie van internationale conflicten’. In dit boek onderzoekt filosoof, historicus en politiek analist Koert Debeuf waarom de wereld steeds opnieuw wordt geconfronteerd met oorlogen. Hij stelt dat we oorlogen niet alleen moeten begrijpen als gevolg van economische belangen of geopolitieke machtsissues, maar vooral als diepgewortelde psychologische en emotionele reacties van volkeren en leiders.

Het boek verscheen in 2022, na de Russische inval in Oekraïne, waarvan hij de aanloop chronologisch verantwoord schetst. Je zou zelfs kunnen stellen: voorspelde.

relevantie

Sinds in 2023 in het Midden-Oosten de oorlog weer in volle omvang is losgebarsten en in de VS sinds begin 2025 Trump opnieuw aan de macht is, zou dit boek best een vervolg kunnen krijgen. De indeling in twee historische ‘kampen’ die Debeuf presenteert (het Trans-Atlantische en het Euraziatische kamp, met ieder eigen kenmerken) lijkt inmiddels een stuk genuanceerder te zijn geworden. Maar omdat Debeuf zijn betoog met lange historische lijnen opbouwt, is dit boek aan relevantie nog niets kwijtgeraakt, wat mij betreft.

collectieve trauma’s

Debeuf stelt dat veel oorlogen voortkomen uit collectieve trauma’s en vernederingen die niet zijn verwerkt. Hij verwijst bijvoorbeeld naar de val van de Sovjet-Unie, een gebeurtenis die in het Westen werd gevierd als een overwinning van de democratie, maar in Rusland werd ervaren als een nationale vernedering. Deze gekrenkte trots zou later mede de voedingsbodem vormen voor het agressieve buitenlandse beleid van Vladimir Poetin. Debeuf laat zien hoe dergelijke trauma’s – vaak doorgegeven van generatie op generatie – kunnen leiden tot revanchistische gevoelens, nationalisme en uiteindelijk oorlog. Daarmee wijkt Debeuf af van het klassieke idee dat oorlogen voornamelijk voortkomen uit economische motieven, zoals de strijd om grondstoffen of markten. Leiders en volkeren reageren vaak niet rationeel, maar emotioneel op bedreigingen of vernederingen, wat het risico op oorlog vergroot.

kwetsbare regio’s

Hij bespreekt een aantal hedendaagse en mogelijk aanstaande brandhaarden. Bijvoorbeeld Taiwan, waar China steeds agressiever optreedt tegenover het onafhankelijkheidsstreven. Ook noemt hij Soedan, de Centraal-Afrikaanse Republiek en de Balkan als kwetsbare regio’s, waar spanningen snel kunnen escaleren. Opvallend is zijn waarschuwing voor de Verenigde Staten, waar volgens hem de politieke polarisatie en sociale spanningen zo ernstig zijn geworden dat intern geweld niet is uitgesloten.

Samenvattend biedt Debeuf met dit boek een scherpe, maar toegankelijke analyse van het waarom achter oorlog. Door psychologie te combineren met geopolitiek laat hij zien dat vrede geen vanzelfsprekendheid is – maar ook geen illusie hoeft te zijn. Zijn boodschap is duidelijk: zolang we blijven denken dat oorlog iets is dat alleen anderen overkomt, zullen we de volgende oorlog niet zien aankomen. Alleen door begrip, empathie en het serieus nemen van de emoties van anderen kunnen we een stabielere en vreedzamere wereld opbouwen.

Confronterende analyses

Een onmiskenbare kracht van het boek is Debeufs expertise. Hij schrijft vanuit een positie van kennis, verworven door directe ervaring, wat zijn analyses gewicht geeft. Zijn historische overzichten zijn vaak verhelderend en plaatsen de huidige crises in een breder perspectief. Het is een moedig boek dat taboes niet schuwt en ongemakkelijke waarheden benoemt over zowel de verantwoordelijkheid van lokale actoren als de rol van westerse machten. Het dwingt de lezer om voorbij de dagelijkse krantenkoppen te kijken en de structurele oorzaken van conflict te erkennen.

De toon van Waarom dit niet de laatste oorlog is kan als behoorlijk pessimistisch, misschien zelfs deterministisch worden ervaren. De titel zelf draagt hier sterk aan bij. Door zo de nadruk te leggen op de onvermijdelijkheid van toekomstige conflicten, kan het een gevoel van machteloosheid opleveren en het zicht op mogelijke oplossingsrichtingen of verzachtende strategieën vertroebelen.

concrete uitnodiging

Debeuf roept op tot empathie en begrip. Niet alleen als academisch punt, maar ook als concrete uitnodiging voor verandering in de manier waarop we diplomatie bedrijven. Het erkennen van emotionele kwetsbaarheden en het serieus nemen van de angsten van anderen zou een basis kunnen vormen voor een nieuw soort internationale samenwerking, een die verder gaat dan economische belangen en geopolitieke strategieën.

Hoewel de uitdagingen enorm lijken, biedt dit perspectief ook een sprankje hoop: als we de moed hebben om niet alleen de symptomen maar ook de oorzaken van conflict te adresseren, ligt een vreedzamere wereld misschien toch binnen handbereik.

Een mooie gedachte, maar wat er nu allemaal aan de hand is in de wereld, laat wat mij betreft wel goed zien dat dat nog lang niet eenvoudig is.