Interventies – ‘Rijk, zorgvuldig geschreven en prikkelend’

Interventies van Loek Schoenmakers en Arienne van Staveren verkent wat interveniëren betekent in complexe en voortdurend veranderende praktijken. Het boek kiest nadrukkelijk voor een relationele en systeemtheoretische benadering, waarin onderzoeken, leren en veranderen samenkomen. In zijn recensie gaat Charles Engelen in op de betekenis en reikwijdte van dit studieboek.

Charles Engelen | 18 december 2025 | 4-6 minuten leestijd

In Interventies – Voor onderzoekers, veranderaars en vernieuwers presenteren Loek Schoenmakers en Arienne van Staveren een rijk en doordacht perspectief op interveniëren in complexe praktijken. Het boek richt zich op (beginnende) professionals die niet in of bij een ‘lijdend voorwerp’ verandering willen ‘realiseren’, maar die willen begrijpen wat het betekent om in voortdurend veranderende systemen betekenisvolle stappen te zetten en daarin, met denken én doen, bij te dragen.

Het boek bestaat uit twee delen. Ongeveer een derde benutten de auteurs om de theoretische basis helder te maken; de overige twee derde gebruiken ze om een zeer uitgebreide en gevarieerde schatkist aan interventies te laten zien. Uit het haast onbeperkte aanbod van beschikbare interventies hebben ze er 48 gekozen en geordend in zes clusters.

Interventies zijn relationeel

Niet onderzoeken vóór belanghebbenden, maar mét hen. Deze relationele benadering sluit aan bij de realiteit van veel veranderopgaven, die gekenmerkt worden door complexiteit, ambiguïteit en meervoudigheid. In zulke contexten werkt het niet om interventies te beschouwen als van buitenaf toepasbare methoden die een voorspelbaar resultaat opleveren. De auteurs nodigen de lezer uit om te kijken naar de betekenis die interventies krijgen in interactie: wie voelt zich aangesproken, wie krijgt eigenaarschap, welke stemmen worden gehoord of juist niet? Dit wordt verder benadrukt door het werken met generatieve vragen (divergerend, toekomstgericht) in plaats van probleemgeoriënteerde vragen (convergerend, oplossingsgericht).

Ze kiezen nadrukkelijk voor een systeemtheoretische benadering: geen recepten of afvinklijstjes, en dat benadrukken ze op meerdere plaatsen in het boek. Interventies zijn geen instrumenten of kant-en-klare oplossingen, maar relationele, reflectieve handelingen die pas betekenis krijgen in interactie met de betrokkenen. Interveniëren is altijd ingebed in een web van relaties, belangen en machtsdynamieken.

Woorden doen ertoe

Maar toch: de praktische grondigheid waarmee de 48 interventies zijn uitgewerkt, maakt het verleidelijk om er toch ‘gewoon’ mee aan de slag te gaan. Ik kan me voorstellen dat dit (beginnende) veranderaars op het verkeerde been zet. Eerst moet je goed begrijpen dat het hier niet gaat om universeel toepasbare tools, maar die worden vervolgens wel gepresenteerd op een manier die die indruk kan wekken.

Voor liefhebbers van taal is de zorgvuldige woordkeuze een plezier. ‘Woorden doen ertoe’, zeggen de auteurs, en daar houden ze consequent rekening mee. Zo spreken ze bijvoorbeeld niet van ‘verankeren’ (wat toch van buiten-naar-binnen denken suggereert), maar van ‘normaliseren’ (wat uitgaat van een beweging van binnenuit).

Onderzoeken, innoveren en leren

Een belangrijke bijdrage van het boek is de manier waarop het de klassieke driedeling tussen onderzoek, innovatie en leren doorbreekt. Waar deze drie domeinen in veel organisaties nog steeds apart georganiseerd zijn – onderzoek in een kenniscentrum, innovatie in een project, leren in een training – laten Schoenmakers en Van Staveren zien dat effectieve verandering juist ontstaat wanneer deze praktijken in elkaar grijpen.

Innoverend onderzoek, zoals zij dat noemen, is zowel analyserend als handelend: het levert inzichten op én zet beweging in gang. Leren staat niet naast de interventie, maar ís de interventie. En innovatie is niet de output van een project, maar een collectief proces waarin nieuwe praktijken ontstaan door dialoog en experiment. Voor professionals die gewend zijn aan lineaire ontwikkelprocessen is dit een noodzakelijke, maar ook uitdagende verschuiving.

De professional als medeontwerper

Een ander belangrijk punt is de rol van de professional. De auteurs schetsen de veranderaar of onderzoeker niet als buitenstaander die een verandering ‘begeleidt’, maar als medeontwerper van situaties die verandering mogelijk maken. Dat vraagt om vakmanschap dat verder gaat dan methodische kennis: sensitiviteit, reflectievermogen, het kunnen hanteren van onzekerheid en het navigeren tussen rollen – van onderzoeker tot facilitator, van kritische spiegel tot deelnemer.

Deze positionering is inspirerend, maar ook veeleisend. Het boek maakt helder dat interveniëren een ambacht is dat niet gereduceerd kan worden tot procedures of stappenplannen. Tegelijkertijd erkennen de auteurs dat juist deze onzekerheid veel professionals kan afschrikken, zeker degenen die behoefte hebben aan duidelijke kaders.

Praktische waarde en beperkingen

Interventies biedt vooral conceptualiserend houvast: het maakt inzichtelijk hoe interventies ingebed zijn in complexiteit en relationele dynamiek. Wat het logischerwijs minder biedt, zijn concrete handelingsrepertoires. De auteurs positioneren hun werk nadrukkelijk niet als receptenboek, maar voor sommige lezers kan het ontbreken van praktische checklists, methodieken of systematische evaluatiekaders als een gemis worden ervaren. Je krijgt principes, reflectievragen en denkrichtingen – vaak ook heel concreet – maar het is niet bedoeld als uitgewerkt stappenplan voor ontwerp of uitvoering.

Interventies is een zeer degelijk studieboek, congruent met de boodschap. Voor startende beroepsbeoefenaren biedt het een fundamentele basis voor het werken met verandering. Voor meer ervaren veranderaars fungeert het enerzijds als naslagwerk en anderzijds als rijke bron van reflectie op het eigen handelen. Hoewel ik zelf al lange tijd in de veranderpraktijk werk, werd mijn referentiekader opnieuw en op een prettige manier opgerekt door de in dit boek gepresenteerde benaderingen. Voor zowel starters als ervaren professionals gaat het om theorie die je tot je kunt nemen, maar die pas echt relevant wordt door handelen in de praktijk – precies wat de auteurs beogen met hun boodschap over onderzoeken en veranderen.

Gevarieerd palet

In het deel waarin de interventies worden behandeld, vinden we een rijk en zeer gevarieerd palet aan benaderingen, die met meer of minder moeite passend te maken zijn voor verschillende contexten. De auteurs presenteren eigen interventies, maar we komen ook veel oude bekenden tegen, zoals Weisbord, Bennebroek, Argyris, Morgan, Choy en Spanjersberg.

Interventies is een rijk, zorgvuldig geschreven en prikkelend boek dat professionals uitnodigt om hun eigen rol, aannames en handelingsrepertoire opnieuw te doordenken. Voor veranderaars, onderzoekers en vernieuwers die in complexe praktijken werken, is dit een betekenisvolle gids: niet om te volgen, maar om mee te denken.

De onderstroom boven – ‘Bruikbaar handelingsrepertoire’

Organisatieadvies is verbreed van vooral raadgevend, naar ook begeleidend. Daarmee zijn het psychodynamische en systemische denken deel geworden van de praktijk. In ‘De onderstroom boven’ creëert Jan Piet van Deene een breed palet met ervaringen uit zijn advies- en begeleidingspraktijk, reflecties en concepten daarbij. Hij geeft een bruikbaar handelingsrepertoire voor de begeleider van veranderingsprocessen in organisaties.  

Charles Engelen|3-4 minuten leestijd

Jan Piet van Deene probeert de lezer van De onderstroom bovenop een praktische manier deelgenoot te maken van de brede kijk op organisatieverandering vanuit het psychodynamisch perspectief en het systemisch perspectief. Wat mij betreft is het een zeer geslaagde poging.

Bodem onder intuïtie

Van Deene schreef zijn boek voor mensen die begeleiden bij organisatieverandering. Primair voor de externe begeleider, zoals hijzelf. Maar het is niet minder waardevol voor de interne adviseur en voor leidinggevenden die meer willen met de complexiteit van verandering in hun organisatie. En voor professionals die intuïtief vaak aanvoelen wat werkt en niet, en behoefte hebben aan een stevige bodem onder die intuïtie. Het boek is met name geschikt voor lezers met ervaring in de veranderpraktijk.

Karwei

De onderstroom boven is een zeer welkom boek voor lezers zoals ik, die zich in hun werk bedienen van de veelheid aan psychodynamische en systemische concepten. Eindelijk wordt in één boek een leesbaar overzicht gegeven van al die concepten en hun toepasbaarheid. Het bestuderen van alle oorspronkelijke bronnen is al jaren een stevig karwei: wie zich gewaagd heeft aan literatuur van bijvoorbeeld Bion of Ashby zal dit waarschijnlijk beamen.

Rijke ontwikkelruimte

Van Deene levert met dit boek geen ‘heilige schrift’. Hij deelt zijn concrete ervaringen (van decennia advies- en begeleidingswerk), zijn reflecties op die ervaringen, de concepten die daarbij behulpzaam bleken te zijn en zijn aldus gevormde ‘Beste Weten’ op dit moment. Hij zegt dus niet wat de lezer te leren heeft, maar creëert een rijke ontwikkelruimte waarin de lezer zijn professionaliteit verder kan ontwikkelen. Het boek is in die zin geheel congruent met de zienswijze op organisatieverandering die erin wordt behandeld. In die zienswijze zegt de adviseur niet tegen zijn klant wat deze zou moeten doen, maar creëert hij een veranderruimte waarin het klantsysteem kan veranderen. Of niet.

Actieonderzoek

Een belangrijke werkwijze in deze is actieonderzoek: niet onderzoek doen vóór het klantsysteem en voorafgaand aan de verandering, maar onderzoek doen mét het klantsysteem waarbij de verandering zich al onderzoekend ontvouwt. Van Deene besteedt twee hoofdstukken aan dit actieonderzoek, en reikt daarmee een methodologie en een werkmodel aan. Actieonderzoek doen impliceert werken met de onderstroom: datgene wat relevant is voor wat we aan het doen zijn, maar niet op tafel komt. In vier hoofdstukken werkt hij uit wat onderstroom is, welke vormen daarin te onderscheiden zijn, hoe je het kunt voorkomen, hoe je het naar boven kunt brengen als begeleider (die zich met de inhoudelijke kant van het vraagstuk bezighoudt) en als procesconsultant (die zich met het leerproces in het vraagstuk bezighoudt). Vervolgens zet hij in één hoofdstuk het (enorme) thema defensief groepsgedrag uiteen, met een heldere duiding van begrippen als projectie, projectieve identificatie, splitsing, et cetera.

De systemische kant

Waar het boek tot dusver vooral betrekking heeft op de psychodynamische kant van het werk, gaat het laatste hoofdstuk over de systemische kant van het werk. Hierbij maakt hij het belangrijke onderscheid tussen modellen van de werkelijkheid (veranderen naar de gewenste situatie ‘in 7 stappen’) en modellen voor de werkelijkheid (modellen die gebruikt worden als brilletje om naar de werkelijkheid te kijken en kunnen bijdragen aan ons ‘beste weten’). Daarmee wordt groepsgedrag gezien als iets dat zich voordoet in een bepaalde context (de systemische blik), waarbij gedrag en context elkaar over en weer beïnvloeden. Precies de reden waarom ook deze kennis relevant is voor de actieonderzoeker.

Waardevolle aanvulling(en)

Van Deene eindigt zijn boek met een handzaam overzicht van de verschillen tussen de bijdragen van een begeleider en een procesconsultant, een verklarende woordenlijst en een uitgebreide literatuurverwijzing. De leesbaarheid van het boek wordt vergroot door het gebruik van oneliners, kaders en overzichten, en – niet te vergeten – de leuke illustraties van Monique Boon.

De onderstroom boven is kortom een erg waardevolle aanvulling in taal, concepten en handelingsrepertoire. Aanbevolen voor de begeleider of procesconsultant die meer wil met eigen en andermans onderstroom!

Tussentaal – ‘Neemt het op tegen grootheden als Kets de Vries en Argyris’

We zijn meer en meer geïnteresseerd geraakt in onze binnenwereld. Of eigenlijk: onze eigen binnenwereld én die van de ander. In de vele varianten van begeleidingswerk gaat het er vaak om te achterhalen wat er in de mens omgaat en daartoe hebben we veel ‘binnentaal’ ter beschikking. Internaliserende en psychologiserende taal. Te veel, vindt Marijke Spanjersberg, in haar boek ‘Tussentaal’.

Charles Engelen|4-5 minuten leestijd

Spanjersberg neemt de lezer van haar boek Tussentaal mee in het ontstaan van binnentaal, en reflecteert daar kritisch op. Vervolgens houdt ze een pleidooi voor de taal die gaat over wat tússen de mensen speelt: tussentaal. Ze werkt een aantal soorten tussentaal uit, en geeft daarbij treffende voorbeelden die soms op de lachspieren werken.

Individualiseren en psychologiseren

Tussentaal kan van waarde zijn voor mensen die werken als leider of begeleider, en die meer aandacht willen voor wat er tussen mensen gebeurt. Ten koste van wat er allemaal ín mensen gebeurt.

In het eerste deel van het boek legt Marijke Spanjersberg uit hoe het grote accent op binnentaal (of binnenkant-taal) is ontstaan, en wat ze daarvan vindt. In ruim 40 pagina’s werkt ze uit waarom individualiseren en psychologiseren zo’n grote vlucht hebben genomen, en waarom de bruikbaarheid ervan zo overschat is. Door de ironische en soms wellicht zelfs wat cynische toon is mij volstrekt duidelijk waar ze in dit discours staat: de binnentaal is schromelijk overschat en je kunt er beter niet te veel mee doen. Ze neemt het daarbij op tegen grootheden als Kets de Vries en Argyris. Dat maakt het boek prikkelend. Overigens zou ik zonder dit ruime betoog ook zeer bereid zijn om me te verdiepen in wat ze te zeggen heeft over tussentaal. Ik herken in mijn begeleidingswerk veel van deze focus op de binnenkant en het overmatig etaleren en aan de orde stellen ervan. Waarbij de kennis van wat zich van binnen afspeelt beperkt is, zeker de kennis over de binnenkant van de ander. Alsof wat je niet ziet meer waar is dan dat wat je wel kunt waarnemen. De bedenkers van al die persoonlijkheidstests met kleurtjes en drijfveren-scans hebben geluk dat Spanjersberg hen niet even meeneemt in haar betoog.

Tussentaal dus, hoe werkt dat dan?

Tussentaal speelt zich af aan de oppervlakte: lengte maal breedte. Diepte doet niet mee, die zien we immers niet vanaf de buitenkant. Tussentaal geeft uitdrukking aan wat er tussen mensen gebeurt en laat zich niet in met een beter-weten over de binnenkant van mensen. Dat zijn de 2 criteria die Spanjersberg hanteert. Ze laat vier soorten tussentaal zien:

– De het-hele-systeem-in-de-kamer-taal: wie horen er allemaal bij de woorden die hier gesproken worden, en zijn die er allemaal?

– Verschiltaal: ‘excelleren’ kan alleen in relatie tot iemand anders,

– Circulaire vraagtaal, die naar de wederkerigheid van gedrag kijkt,

– Externaliserende taal, waarbij zaken als boosheid, bezorgdheid een eigen stem krijgen.

Nieuwe woorden

Daarna gaat Spanjersberg op zoek naar nieuwe woorden, die de tussenruimte kunnen vullen. Als minkukels bestaan, waarom dan geen pluskukels? En assemblage-woorden die twee uitersten kunnen verbinden. In een twistpunt tussen coaches, die methodisch tegenover intuïtief zetten, introduceerde ze ‘de gevoelige methode’. Niet als generieke, maar juist als lokale term. Bij het bedenken van kernwaarden in een organisatie gaat het daar wel eens fout. In het directieteam worden de woorden bedacht, zoals ‘ondernemend, flexibel, professioneel’, die in de rest van de organisatie weinig betekenen.

Beeldtaal

Onder tussentaalse beeldtaal verstaat Spanjersberg ‘taal die met behulp van visuele representaties uitdrukking geeft aan wat zich tussen mensen afspeelt (p. 102)’. Ze onderscheidt patroontaal en streepjestaal, waarbij ze een normatief standpunt betrekt als ze verschillende talen aan de tussentaaltest onderwerpt. De ironie uit het eerste deel is weer terug. Transactionele analyse zakt voor die test, spelregelpatronen daarentegen slagen wel, omdat ze – we volgen hier Watzlawick – bij elke inhoud altijd een betrekkingsniveau speelt.

Streepjestaal, die we al eerder bij haar en ook Choy tegenkwamen: de vriend van mijn vijand is mijn vijand. Streepjestaal slaagt voor de test, want houdt zich niet bezig met de binnenkant.

Spelregeltaal

In het laatste hoofdstuk behandelt ze spelregeltaal, met een poging om spelregels van hun bedenkelijke imago te ontdoen. Spelregels zijn rigide, zorgen dat mensen kunnen ophouden met zelf nadenken, en kunnen worden gebruikt om elkaar mee om de oren te slaan. Benedictus had dat al in de zesde eeuw door toen hij zijn Regel opschreef. Hij geeft heldere regels, maar met nuanceringen die ze bruikbaar maken in het menselijk verkeer. Hij volgde al de metaregel: ‘Volg de regel en denk zelf na!’.

Spanjersberg werkt haar concept royaal uit, en neemt een duidelijk standpunt in ten opzichte van binnentaal: niet doen.

Brief aan de lezer

Spanjersberg sluit af met een brief aan de lezer. Aan wie door de nogal genadeloze afwijzing van het internaliserende perspectief, de binnentaal, is afgehaakt, doet ze een handreiking in een pleidooi voor pragmatisme. Een pleidooi van het inzetten van het interactionistische perspectief door middel van tussentaal, waarmee we een rijker beeld maken van de situatie.

Hoewel ik een heel eind volg, blijf ik geneigd te zeggen dat mijn vrouw en ik ook van elkaars binnenkant houden, die we beter menen te kennen dan dit boek wil doen geloven. Maar wie weet is dit ook ironie.

Onbeschikbaarheid – ‘Ik heb genoten’

In het compacte essay ‘Onbeschikbaarheid’ werkt Hartmut Rosa uit hoe we ons kunnen verhouden tot een ongrijpbare en oncontroleerbare wereld. Niet door het te lijf te gaan, maar door het basisvertrouwen dat we er een responsieve relatie mee kunnen aangaan.

Charles Engelen|5-7 minuten leestijd

De beschikbaarheid van iets heeft twee kanten: het is voor ons beschikbaar, dat wil zeggen: we kunnen het hebben wanneer we willen. En we beschikken erover: we hebben het onder controle. En daarmee is het voorspelbaar geworden, er gaat niets meer van uit, we hebben er geen relatie meer mee, het is ‘dood’.

In onze pogingen de wereld om ons heen steeds beter te kunnen begrijpen en controleren, raken we het contact ermee steeds meer kwijt, en raken we er juist van vervreemd. In Onbeschikbaarheid (oorspronkelijke titel: Unverfügbarkeit) neemt Hartmut Rosa ons mee in de problematiek van de laat-moderne tijd, nu. Hij schreef het essay in 2018, voor de covid-pandemie en de oorlog in Oekraïne. En voegde in 2022 een voorwoord toe omdat de uitbraak van COVID19 zo’n treffend voorbeeld is van totale onbeschikbaarheid, in ieder geval gedurende een hele tijd. De effecten daarvan in de samenleving hebben we kunnen zien, en zien we nog.

In dit compacte essay werkt Rosa uit hoe we ons kunnen verhouden tot dat onbeschikbare. Niet door het te lijf te gaan, agressief te overwinnen. Maar door het basisvertrouwen dat we er een responsieve relatie mee kunnen aangaan. Hij illustreert dat met veel alledaagse voorbeelden, waarmee het een heel toegankelijk boek wordt. De uitstekende vertaling van Huub Stegeman helpt daar absoluut aan mee.

Beschikbaarheid vervreemdt

Rosa bouwt zijn redenering zorgvuldig op. Eerst laat hij zien hoe we de wereld als een ‘punt van agressie’ beschouwen. Daar bedoelt hij mee: zij moet gekend, beheerst, veroverd en bruikbaar worden gemaakt. Aan ons lichaam kunnen we alles meten en dat moet meteen verbeterd worden. Hoeveel kilo’s? Moet minder. Hoeveel stappen vandaag? Moet meer. Welke kleur geplast? Meer drinken. Alles vangen we in lijstjes die afgewerkt moeten worden. Niet het live meemaken van die geweldige finish, maar door je telefoon kijken om het vast te leggen en daarmee het gevoel van het moment te missen. Dat moment erváár je immers, dat zie je niet op een foto.

Groei is niet langer een belofte maar een bedreiging: niet het verlangen naar meer is onze drijfveer, maar de angst voor minder. Daarom moet de wereld onder ons bereik komen, beschikbaar zijn. Deze beschikbaarheid kent een viertal dimensies: zichtbaar, fysiek toegankelijk, onder controle, in gebruik genomen. De blijdschap die je kunt voelen als je favoriete liedje ineens op de radio is, en hoe die verdampt als er dan iemand zegt: ‘Het zou wat. Dat liedje zit in Spotify, je kunt het de hele dag horen als je wil. Dus waar ben je nou blij mee?’ Beschikbaarheid vervreemdt.

Resonantie

Deze agressieve benadering van de wereld heeft ons de spectaculaire successen in wetenschap en technologie opgeleverd. Daar prijzen we ons gelukkig mee. Maar ze wordt het probleem als het subject (meestal de mens) en de wereld niet meer in onderling verband worden gezien. Zoals Jan Warnsdorf in zijn boek Geen Idee al zei: de wereld (het milieu) is niet een object dat zich buiten de mens bevindt; de mens is er onderdeel van. Als de wereld niet helemaal beschikbaar (onder controle) is kunnen we ons laten raken, kan er een respons op deze aanraking zijn, en kan er in ons iets veranderen. Dit geheel noemt hij resonantie, een begrip dat hij in het boek Resonanz helemaal uitwerkt. De grondmodus van het menselijk bestaan is niet over de dingen te beschikken, maar ermee te resoneren. Immers: als alles gekend, voorspelbaar en onder controle is, dan vindt die resonantie niet meer plaats, is er geen contact, vervreemden we.

Onbeschikbaarheid in het dagelijks leven

Resonantie is niet af te dwingen of te voorkomen. Die ene passage uit de Mattheus Passion van Bach kan me ontroeren, maar ik kan er niet voor gaan zitten om ontroerd te worden. De resonantie zelf is onbeschikbaar, daar gaan we niet over. Daarom is het belangrijk dat de wereld wel beschikbaar is, maar dan wel een toegankelijke en niet grenzeloze beschikbaarheid.

Rosa werkt zijn betoog verder uit langs een zestal momenten in de levensloop en hoe (on)beschikbaarheid daar een rol speelt. Geboorte en biologische kwaliteit worden steeds meer beschikbaar, maar niet helemaal. Ontwikkeling op school hadden we beschikbaar gemaakt, dachten we, en tijdens de pandemie ging dat ineens heel anders. ‘De kinderen lopen x maanden achter’, hoorden we in het journaal. Waarop liepen ze eigenlijk achter? Carrièreplanning is door de enorme beschikbaarheid veel moeilijker geworden Keuzestress, quarterlife-crisis. Op vakantie willen we geraakt worden, maar niet te veel want we moeten wel vanavond eten en op een dag weer terug naar het werk. Ziekte moet bestreden worden en als je wint ben je een held. En als je verliest? De macht van zoveel mogelijk beschikbaar maken leidt tot onmacht, zegt Rosa. Zorg is gereduceerd tot parameters. Ontwikkeling tot CITO-scores. Vervreemding is het gevolg.

Het gaat er dus om die onbeschikbaarheid te laten zijn en te leren ons ertoe te verhouden. Als je naar een cursus gaat kan het helpen om in te zien dat de vraag ‘Wat ga ik hier vandaag precies leren?’ best onzinnig is. Als je bij toeslagen een klein percentage misbruik voor lief neemt gaat er meer goed dan wanneer je alles probeert voor 100% dicht te regelen in procedures en controles. Je kunt betalen voor beschikbaarheid maar kunt zomaar teleurgesteld raken. Zon-garantie? Sneeuwgarantie? Ontroerd zijn door een concert? Genieten van eten? Als het er niet is ga je dan een schuldige zoeken om die aansprakelijk te stellen?

De beweging die Rosa voorstelt is in de richting van de wereld zien als punt van resonantie, niet alleen als punt van agressie. In contact in plaats van onder controle. Dat kan vermijdbare teleurstelling voorkomen, die is er inmiddels genoeg in de wereld. Op de achterkant van het boek staat: ‘Gevierd socioloog Hartmut Rosa laat zien hoe we ons kunnen wapenen tegen de vervreemding van de moderne wereld.’ Ik denk niet dat dat het geval is, dat zou zelfs paradoxaal zijn. Zijn pleidooi is wat mij betreft juist dat we ons moeten verhouden tot die onbeschikbare (=ongrijpbare en oncontroleerbare) wereld, zodat we geraakt kunnen worden en er wellicht mee kunnen resoneren. In die zin is ‘wapenen’ bij dit essay een merkwaardig gekozen woord. Rosa beoogt geen eensluidend antwoord te geven, maar neemt ons mee in een denkrichting. Hij noemt dit essay in die zin ‘een tussenstop in het denken’. Er is nog veel over te zeggen en te schrijven. Ik heb alvast genoten van deze tussenstop.

Conflict eren – ‘Voor mij een prachtig boek’

In dit mooi vormgeven boek neemt Shirine Moerkerken ons mee in de manier waarop zij werkt in haar adviespraktijk. In gedetailleerd uitgewerkte cases, precieze persoonlijke reflecties en theoretische verhelderingen maakt ze duidelijk wat ze bedoelt met conflicteren, of beter conflict eren.

Charles Engelen|5-7 minuten leestijd

Tegen welke grenzen je oploopt, hoe je uit de bocht kunt vliegen en daar vervolgens ook weer van kunt leren. In tegenstelling tot veel andere auteurs in het verandervak spaart Shirine Moerkerken zichzelf niet in haar boek Conflict eren. Handelend actor zijn in de organisatiepraktijk, en daar als handelend actor op reflecteren is een spannend proces. Laat staan daar ook nog een boek over schrijven.

Conflict

Zou het de ‘Hollandse handelsgeest’ zijn die maakt dat we zo gericht zijn op het eens worden, overeenstemming, op één lijn zitten, dat we de onderlinge verschillen zo snel en vakkundig kunnen bedekken? In het voorwoord van dit mooi vormgegeven boek geeft Joris Luyendijk al aan dat Nederland, vergeleken met andere landen en met name Angelsaksische, niet van conflict houdt. De Nederlandse taal heeft woorden voor overeenstemming in een variëteit als Inuit die hebben voor sneeuw. Maar zonder conflict verandert er niks: Dolle Mina, Zwarte Piet, XR. De paradox komt mooi bij elkaar waar we het erover eens zijn dat er ‘zonder wrijving geen glans’ is.

Interactionistisch perspectief

Zoals ook in haar eerdere boek Hoe ik verander (2015) kiest Moerkerken in Conflict eren voor een overzichtelijke structuur met een heldere regelmaat. Elk hoofdstuk 9 paragrafen, en telkens de paragrafen 1 en 5 met delen uit haar dagboek. Het boek is vierkant, net zo hoog als breed. Vorm en structuur roepen geen conflict op. En daarmee zit de ruimte voor conflict in de inhoud. Mooi congruent met de boodschap van het boek: aan de buitenkant mag iets er harmonieus uitzien, je komt er pas achter als je er echt induikt. Voor mensen die nog niet thuis zijn in het interactionistische perspectief is het lezen van dit eerdere boek wel een aanrader.

Groeperen

In het eerste hoofdstuk nodigt Moerkerken je uit om te kijken naar hoe we samen kunnen verschillen (con-flicteren). En dat het belangrijk is om die verschillen te zien en ermee te werken (conflict-eren). Het samen eens worden over een doel maskeert die verschillen als een warm bad, maar doet geen recht aan wat zich onder water afspeelt. Ze haalt hier terecht Weick aan die zei dat mensen zich niet om doelen, maar rond middelen groeperen. Middelen waarmee ze hun eigen doelen kunnen realiseren.

Macht en onmacht

Vervolgens probeert Moerkerken duidelijk te maken waarom we er niet goed in zijn, in dat conflicteren. Met voorbeelden die me als organisatieadviseur, maar ook als mens, heel herkenbaar voorkomen. ‘De patiënt centraal’ als gedeeld doel wordt alleen maar wat als het de persoonlijke (verschillende) belangen van de zorgverleners niet in de weg staat. Het doel is niet de kwestie, maar de belangen. En daar komt macht in beeld, en dus ook onmacht. Leidend tot oordeel, vastzetten van de eigen waarheid, en disfunctioneel conflict. En daar houden we niet van.

Intersubjectief, triadisch en meervoudig-synchroon

Hoe dan die verschillende werkelijkheden naast elkaar te zien? Het korte antwoord (naar Van Dongen) is: door de hele complexiteit onder ogen te zien: intersubjectief, triadisch en meervoudig-synchroon. Werkelijkheden naast elkaar laten bestaan, en dan niet in de zin van gedogen, maar in interactie. Dat klinkt hier wat ingewikkeld wellicht, maar Moerkerken legt het glashelder en met voorbeelden uit. En aarzelt niet om een (herkenbaar) voorbeeld uit te werken waarbij ze zelf de mist in ging.

Regtering, Slagmolen, Feltmann

Als het lukt om verschillende werkelijkheden naast elkaar te zien ontstaat de mogelijkheid om verschil op te zoeken. Om daar zicht op te geven maakt Moerkerken mooie uitstapjes naar practitioners als Regtering, Slagmolen, Feltmann. Niet dat het daar eenvoudiger van wordt, maar het geeft veel zicht op onderliggende mechanismen en dynamieken in omgaan met verschillen. En zoals ik inmiddels gewend ben van haar eindigt ze ook dit vierde hoofdstuk met reflectieve vragen en suggesties voor handelen.

Configuratietheorie

Maar helaas begin je niet altijd bij ‘nul’, soms zijn conflicten al disfunctioneel. En hoe krijg je ze dan functioneel? Het korte antwoord is: niet door naar het conflict zelf te kijken, maar naar de wijze waarop het geproduceerd wordt. De eerdere lessen van Van Dongen (de complexiteit onder ogen zien – intersubjectiveren, tryadiseren en meervoudigheid inbrengen) komen hier weer van pas. Moerkerken maakt hier vervolgens een relevante verdieping naar de configuratietheorie, die nadere studie verdient voor de lezer die hier niet zo in thuis is. Het vraagt veel oefening en ervaring om te kunnen zien (c.q. een beeld te kunnen hebben van) of een conflict relationeel vastzit, of cognitief, of beiden. Het conflict kan weer functioneel worden als er beweging, interactie in komt. Ze werkt een aantal interventies uit, met voorbeelden. Maar dat het oefening vraagt staat wat mij betreft als een paal boven water.

Persoonlijke reflecties

Door haar persoonlijke reflecties laat Moerkerken zien wat de ingewikkeldheid van de externe adviseur is. Projecties over onafhankelijkheid, objectiviteit zelfs, of juist over steun en comfort, overdracht wellicht. In die zin heb ik veel waardering voor haar beschrijving van de GGZ-klus en hoe die in bepaalde opzichten niet goed afliep. Verfrissend. Ik heb al genoeg boeken met ronkende succesverhalen.

Het zesde hoofdstuk gaat over functioneel conflict inzetten. Het gaat in wezen om ‘anders handelen’ waardoor consequenties en daarmee conflict komen. Ze noemt daarvoor wel een aantal condities die dit mogelijk maken. Nieuwsgierigheid naar mensen en hun waarheden, aanwezigheid en betrouwbaarheid, meervoudig partijdige speler zijn.

Interventiedeskundige

En dan komen we helemaal bij de interventiedeskundige zelf: spanning verduren en ethisch handelen. Onderkennen dat samen verschillen in zichzelf spanning met zich meebrengt. Dat je die niet kunt wegnemen helpt al om die spanning te laten zijn, deze te verduren. Het samen met andere betrokkenen onderzoeken op welke zogenoemde unvalues je stuurt in het proces biedt houvast. De ethische ondergrenzen van het proces, die in interactie worden verkend, steeds opnieuw. Het opschrijven van dit alles in een boek is best een paradoxale ervaring, merkt Moerkerken hier terecht op. De versies van alle andere actoren in de casuïstiek in het boek doen hun verhaal immers ook via de pen van de schrijver.

Ervaringsleerder

Ik ben vooral een ervaringsleerder. Theoretische concepten hebben voor mij betekenis bij het conceptualiseren en contextualiseren van reflecties die gaan over ervaringen in de praktijk. Daarom is Conflict eren voor mij met mijn leerstijl een prachtig boek, het roept veel herkenning en ook nadere duiding op. Voor mensen die liever bij de theorie beginnen lijkt het me een pittige klus om dit eigen te maken. Zelfs met de vele praktische handvatten die Moerkerken biedt.

Transklasse – ‘Feest van herkenning, en eye-opener’

‘Transklasse’ van Lenette Schuijt is een boek over persoonlijke ervaringen, en ervaringen van anderen rond sociale mobiliteit. Aangevuld met sociologische, psychologische en filosofische analyses van sociale mobiliteit. 

Charles Engelen|4-6 minuten leestijd

Ik wilde Transklasse graag lezen omdat ik zelf een vergelijkbare achtergrond heb, ook een reis maakte van de ene klasse naar de andere. Ik was benieuwd naar de verhalen van anderen én naar meer wetenschappelijke noties uit de context. En daarin ben ik absoluut niet teleurgesteld. Het is een goed gevuld boek, zowel van binnenuit, Schuijts persoonlijke ervaring, als vanuit de helikopter, met analyses en beschouwingen. En die twee prettig leesbaar gemengd.

Levensloop

In Transklasse. Leven in twee werelden neemt Lenette Schuijt ons mee langs de levensloop van de transklasse. In het eerste hoofdstuk legt ze een stevige basis voor het begrip transklasse, factoren die van invloed zijn op sociale verschillen en sociale migratie, en haar eigen ervaringen. Via school en werk werkt ze toe naar een mooi slotstuk met maatschappijkritische analyse en concrete aanbevelingen voor de toekomst. Een feest der herkenning.

Transklasse en de klassenmaatschappij

In het eerste hoofdstuk neemt Schuijt ons eerst mee in haar zoektocht naar een geschikte term: hoe noemen we de mensen die deze beweging maken? Uiteindelijk komt ze via Marx en Bourdieu bij de Franse filosofe Chantal Jacquet, die het begrip transklasse introduceerde. Daarmee verschuift de focus van oud of nieuw milieu naar het proces van de verschuiving. Het gaat niet om het vertrek uit de sociale klasse van afkomst, een transklasse behoudt namelijk iets van het milieu van herkomst. En ook niet om omhoog als doel op zich, maar als mogelijk resultaat van dat proces. Vervolgens werkt ze een veelheid van factoren uit, binnen de persoon en er omheen, en plaatst deze ook in een historisch perspectief. Daarmee is de heterogeniteit helder: iedere transklasse heeft zijn of haar eigen proces.

In het tweede hoofdstuk, ‘Besef tot een klasse te behoren’, werkt ze het klassenbegrip uit, waarbij Bourdieu een belangrijke bron blijkt. Ze vermengt een veelheid sociologische concepten uit de literatuur met harde onderzoeksgegevens over klassen en migratie daartussen, met hier en daar een persoonlijke observatie of nadere invulling. Hoewel de redenering goed te volgen is, is me niet altijd duidelijk of het dan gaat om haar opvattingen of om een resultaat van (kwalitatief) onderzoek,op basus van alle interviews die ze heeft afgenomen. Maar na deze twee hoofdstukken heeft ze een goede basis om de verschillende levensfasen uit te werken.

School en werk

In het onderwijs blijkt de invloed van school, leraren, medeleerlingen en schoolsysteem van belang. Illustratief is het voorbeeld waarin ze van studie verandert. Van Frans in Leiden naar Andragologie in Amsterdam, en er dan achter komt dat ze deel uitmaakt van de arbeidersklasse die ze daar bestudeert. Werken doet de transklasse al van jongs af aan. Omdat dat normaal is, en soms ook uit bittere noodzaak. Als gevolg van ‘de spreidstand’ komt de transklasse goed tot zijn recht in functies waarin verschillen tussen sociale groepen overbrugd moeten worden. Ze geeft een ruim beeld van kwaliteiten van transklasses, inclusief de nadelige, en illustreert dat met eigen voorbeelden en die van mensen die we allemaal kennen.

Het pittige pad van de transklasse

Loskomen van het milieu van herkomst, invoegen in het nieuwe milieu, en in twee milieus tegelijk staan. Het loskomen blijkt een moeilijk en vaak pijnlijk proces, maar arriveren en integreren in het nieuwe milieu is ook al geen vanzelfsprekendheid. Je kent immers alleen de vanzelfsprekendheid van het leven in de klasse waar je vandaan komt. En dan kom je als vanzelf bij schaamte: over het oude milieu en hoe je je daartoe verhoudt, en over jezelf in het nieuwe milieu. De effecten van die schaamte legt Schuijt haarfijn uit, en de enige remedie blijkt (volgens Brené Brown) empathie. Omarm de schaamte als deel van je identiteit.

Identiteitsvorming is voor de transklasse een dubbele taak. Waar het er immers om gaat onderdeel uit te maken van een sociaal systeem én tegelijkertijd een eigen identiteit te behouden, heeft de transklasse dat te doen in twee milieus. En die missie is geslaagd wanneer de transklasse die tegenstellingen in zichzelf heeft weten te verzoenen. Ik heb de indruk dat Lenette Schuijt met het schrijven dit boek een belangrijke bijdrage aan haar eigen missie heeft geleverd, maar dat zal ik haar bij gelegenheid nog eens vragen. Een missie die op een dag wellicht voltooid wordt met het schrijven, of eigenlijk: afschrijven van haar autobiografische roman, waarover ze in hoofdstuk 9 schrijft.

Hoe nu verder?

De slotbeschouwing in Transklasse laat zich lezen als een kritisch essay over de maatschappij van nu. En ze geeft een aanzet voor hoe we in de 21e eeuw kunnen denken over klasse. Gelukkig blijft het niet bij denken alleen: ze eindigt dit boek met heel concrete adviezen voor het vervolg. En de belangrijke rol die de transklasse hierbij kan vervullen.

Dit boek is voor transklasses een feest der herkenning, en voor mensen uit meer welgestelde milieus een eye-opener. Ook voor deze laatste groep een nuttig boek, aangezien zij vaker op posities zitten waar ze besluiten nemen over het milieu waar de eerste groep vandaan komt. En dan kan het geen kwaad daar wat zicht op te hebben.